Beroepsprofiel
Het beroepsprofiel van de kerkelijk werker in de Protestantse Kerk in Nederland [1] (De brochure kunt u downloaden via deze link. (De brochure is 4 mb groot en vraagt dus wat inlaadtijd)
Ter Inleiding
Het beroep kerkelijk werker in de Protestantse Kerk
Een kerkelijk werker is hij of zij die, lid van de Protestantse Kerk in Nederland - op grond van een adequate opleiding voor een kerkelijk werkterrein en op grond van verkregen kerkelijke bevoegdheid - door een kerkelijk college aangesteld is - of kan worden - voor taken ten dienste van kerk en gemeente.[2]
Een kerkelijk werker heeft een HBO-opleiding[3] op bachelor- of gelijkwaardig niveau op het terrein van kerkmuziek, cultureel maatschappelijk, agogisch, pedagogisch of educatief werk en/of theologie.
In de PKN kunnen kerkelijk werkers in diverse functies voor verschillende werkterreinen aangesteld worden: voor de kerkmuziek, het pastoraat, de geestelijke verzorging (als kerkelijk werker met bijzondere opdracht), het vormings- en toerustingswerk, de catechese, het jeugd- en jongerenwerk, het missionair, diaconaal of apostolair werk, de gemeenteopbouw of het godsdienstonderwijs op de openbare basisschool.
Titels van kerkelijk werkers
Kerkelijk werkers op het taakveld van pastoraat kunnen worden aangeduid worden met de titels: kerkelijk werker, pastoraal werker, pastor.
Kerkelijk werkers op het taakveld van de geestelijke vorming kunnen worden aangeduid met de titels: kerkelijk werker, catecheet, toerustingswerker, jeugdwerker.
Kerkelijk werkers op het taakveld van missionair, diaconaal en apostolair werk kunnen worden aangeduid met de titels: kerkelijk werker, diaconaal werker, missionair werker, diaconaal consulent, pastoraal buurtwerker, kerkelijk werker gemeenteopbouw, gemeenteopbouwwerker, evangelist.
Beroepsprofielen van kerkelijk werkers
De behoefte aan een beroepsprofiel van kerkelijk werkers ontstaat wanneer het werkveld - de gemeenten, de kerk of instellingen - en daarnaast de beroepsverenigingen en de opleidingen een helder beeld nodig hebben van het werkterrein, de functies en de taken van kerkelijk werkers met het oog op aanstellingsbeleid, ondersteuning en opleiding.
Daarnaast speelt een beroepsprofiel een belangrijke functie bij de voortgaande bevordering en bewaking van de kwaliteit van de beroepsbeoefenaar en zijn opleiding via na- of bijscholing.
Zo zijn er in de afgelopen jaren beroepsprofielen ontworpen voor de cantor-organist in de PKN en voor de (kerkelijk werker-)geestelijk verzorger door de (beroeps)Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen, terwijl er plannen liggen voor een beroepsprofiel van hen die als docent godsdienstonderwijs op de openbare basisschool werkzaam zijn.
Voor het werkveld van de kerk op locaal, regionaal of landelijk niveau is - op grond van de samenhang van de diverse taken - in het navolgende document één omvattend beroepsprofiel opgesteld voor kerkelijk werkers die werkzaam zijn op de verschillende werkterreinen van pastoraal werk, geestelijke vorming[4] en missionair, diaconaal of apostolair werk.
De geschiedenis van de kerkelijk werker en zijn/haar plaats in de Kerkorde
De geschiedenis van wat nu de kerkelijk werker heet, gaat terug tot op de tijd van de Reformatie. Godsdienstonderwijzers, catechiseermeesters, ziekentroosters, en andere ‘beroepskrachten' gaan de huidige kerkelijk werker voor. De geschiedenis van deze ‘tweede beroepskracht' naast de predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en in de Evangelisch Lutherse Kerk laat zich beschrijven als een emancipatieproces. We kunnen zeggen dat op papier deze emancipatie in de kerkorde van de Protestantse Kerk is voltooid.
We verwijzen voor de geschiedenis van de kerkelijk werker en naar de plaats van de kerkelijk werker in de kerkorde naar de Bijlagen bij deze nota.
Beschrijving van het beroepsprofiel kerkelijk werker voor de taakvelden van pastoraat, geestelijke vorming, en missionair, diaconaal en apostolair werk
I.1. Beschrijving van de drie taakvelden
1. Taakveld pastoraat
De werkzaamheden bestaan uit:
Pastorale begeleiding bij levens- en geloofsvragen.
Dit kan vorm krijgen in:
- Pastorale begeleiding van individuele gemeenteleden (individueel pastoraat)
- Het initiëren en begeleiden van pastorale processen binnen groepen (groepspastoraat)
- Ondersteuning van werkgroepen en personen die zich in de gemeente bezig houden met onderling pastoraat (gemeentepastoraat).
- het leiden van een bijeenkomst of dienst bij een begrafenis.
2. Taakveld geestelijke vorming
De werkzaamheden bestaan uit:
Het initiëren, begeleiden en uitvoeren van leer- en vormingsactiviteiten in de gemeente voor alle leeftijdsgroepen.
Dit kan vorm krijgen in:
- catechese, kringwerk, toerusting, geloofsopvoeding, jeugdwerk
- aandacht voor liturgische vormgeving bij kring- en groepswerk, waar nodig in samenhang met kerkdiensten en bijeenkomsten van de gemeente.
3. Taakveld missionair /apostolair/ diaconaal werk
De werkzaamheden bestaan uit:
Het initiëren, begeleiden en uitvoeren van apostolaire, evangelisatorische, missionaire of diaconale activiteiten.
Dit kan vorm krijgen in:
- toerusting van (groepen in) de gemeente of kerk met het oog op haar missionaire, apostolaire of diaconale taak
- aandacht voor liturgische vormgeving bij kring- en groepswerk, waarnodig in samenhang met kerkdiensten en bijeenkomsten van de gemeente
- ondersteuning van gemeente en kerk in haar dienst van barmhartigheid en gerechtigheid in de samenleving.
I.2. Algemene eisen aan de beroepsbeoefenaar
Met het oog op de beroepsuitoefening beschikt de kerkelijk werker over een aantal te onderscheiden competenties en attitudes.
Onder competentie verstaan wij het geheel van kennis, houding en vaardigheden.
Hermeneutische en spirituele competentie
Een hermeneutische competentie veronderstelt een fundamentele openheid voor de boodschap van kerk én wereld en een bereidheid om die op elkaar te betrekken.
Het is het vermogen om vanuit die fundamentele openheid de verhalen over God en mensen, zoals die in de bijbel zijn te vinden, te verbinden met het denken van de mensen over God en de wereld.
Hierdoor én door vorming en verdieping van een eigen spiritualiteit, is de kerkelijk werker in staat om in de communicatie over geloofs- en levensvragen wegen naar God te openen of open te houden.
Pastorale competentie
Een pastorale competentie veronderstelt een gerichtheid op het (levens)verhaal van de ander en een luisterende grondhouding. Het is het vermogen om mensen te kunnen begeleiden bij levens- en geloofsvragen in het bijzonder bij 'scharniermomenten', bij ziekte, in stervensbegeleiding en rouwverwerking en in crisisbegeleiding.
Godsdienstpedagogische en -didactische competentie
Godsdienstpedagogische en - didactische competentie veronderstelt een openheid voor religieuze ervaringen van mensen in alle leeftijdsgroepen en leeftijdsfasen. Het is het vermogen om gemeenteleden toe te rusten door leer- en vormingsprocessen die erop gericht zijn dat mensen in alle leeftijden en levensfasen hun eigen geloof ontdekken, ontwikkelen en delen.
Missionaire, diaconale en apostolaire competentie
Een missionaire, diaconale en apostolaire competentie veronderstelt betrokkenheid op de samenleving, haar ontwikkelingen en noden en een oecumenische openheid. Het is het vermogen om vanuit de christelijke traditie en inspiratie de gemeente te ondersteunen bij haar getuigenis en dienst aan de samenleving.
Liturgische competentie
Een liturgische competentie veronderstelt openheid voor de spiritualiteit van personen en groepen en symboolgevoeligheid. Het is het vermogen om vorm te geven aan een viering in leiding en begeleiding in de context van het werk in de gemeente.
Agogische competentie
Een agogische competentie veronderstelt een interesse in en gerichtheid op (groeps) processen met name in kerk en gemeente. Het is vermogen om een gemeente en/of werkgroepen planmatig te begeleiden bij het structureren of optimaliseren van de eigen organisatie in haar geheel of op onderdelen.
Attitude
Als beroepsbeoefenaar
- is de kerkelijk werker in staat en bereid om de eigen beroepskwaliteiten te bevorderen door deelname aan vormen van intervisie, supervisie, collegiale consultatie, na- en bijscholing.
- stelt de kerkelijk werker zich collegiaal en communicatief op.
Verschil moet er wezen - Het eigene van de predikant en van de kerkelijk werker
Wat onderscheidt het profiel van de predikant van dat van de kerkelijk werker? Om recht te doen aan beide beroepskrachten is in de kerk duidelijkheid noodzakelijk over het verschil tussen beide beroepsgroepen. In de bestaande kerkelijke praktijk is de positie van de kerkelijk werker nogal eens arbeidsrechtelijk niet goed geregeld. Dat maakt zijn/haar positie onhelder en kwetsbaar, zeker naast de fulltime-predikant met ijzersterke rechtspositie. Kerkelijk werkers hebben daarbij vaak een tijdelijke benoeming en werken meestal in deeltijd. Vooral de kerkelijk werkers, die werken op de terreinen die de kerntaken van de predikant raken, kunnen het gevoel hebben de klusjes op te moeten knappen of de gaten te vullen in het werk van de predikant.
Omgekeerd is voor menig kerkelijk werker het predikantschap het eigenlijke, en een wenkend perspectief. Met name rond het (niet) mogen preken en rond de sacramentsbevoegdheid kan dit leiden tot onkerkordelijke en onkerkelijke praktijken. Feit is dat vooral de kerkelijk werkers in het basispastoraat en in de geestelijke verzorging soms vrijwel alles doen wat des predikants is. Zo wordt de grens tussen het profiel van de predikant en van de kerkelijk werker wel erg onhelder en vloeiend. Een gevolg is een groeiende praktijk om een predikantsvacature in te vullen met een HBO-opgeleide beroepskracht, en zonder noemenswaardige bijstelling van de functiebeschrijving.
Dit alles is geen heilzame ontwikkeling, leidt op den duur tot kwaliteitsverlies en is een bron van mogelijke arbeidsconflicten.
Om goed in te kunnen spelen op een kerkelijke praktijk in ontwikkeling - met steeds meer deeltijdpredikanten, kleine gemeenten zonder predikant, streekgemeenten met meerdere kerkdiensten op de zondagmorgen - en die in goede banen te leiden, is een paar dingen nodig:
- Het onderscheid helder houden. Leggen wij beide beroepsprofielen naast elkaar, dan komt het onderscheid tussen predikant en kerkelijk werker als volgt naar voren.
- De predikant is theologisch-wetenschappelijk (WO) opgeleid dienaar des Woords, de kerkelijk werker heeft een beroepsopleiding op HBO-niveau.
-De predikant heeft de ambtsbevoegdheid van Woord en Sacrament, de kerkelijk werker oefent een functie uit in een bepaald werkveld. Hij/zij staat niet in het ambt, en heeft niet de bevoegdheid van de bediening van Woord en Sacrament.[5]
-De predikant bekleedt het openbare ambt van dienaar des Woords in het geheel der kerk, de kerkelijk werker heeft een functie op een specifiek taakveld in de plaatselijke gemeente of in de (zorg-) instelling.
-De predikant wordt beroepen door en verbonden aan de plaatselijke gemeente of de instelling met het oog op de dienst van Woord en Sacrament, en staat in de daarmee gegeven volmacht en vrijheid, de kerkelijk werker staat in een werknemer - werkgever-relatie tot de kerkenraad of het bestuur van de instelling. Hij/zij heeft de rechtspositie van kerkelijk medewerker.
· Versterking rechtspositie en heldere taakverdeling. Een goed personeelsbeleid in de kerk, en vooral in de plaatselijke gemeenten, is nodig om beide beroepskrachten met beroepstrots te doen werken. Met het oog op de positie van de kerkelijk werker vraagt dit versterking van zijn/haar arbeidsrechtelijke positie en een goede functiebeschrijving ter plaatse, en een vorm van werkbegeleiding (gebeurt al) en nascholing vanwege de landelijke kerk, vergelijkbaar met wat de predikanten ontvangen.
· Collegiale samenwerking bevorderen. Een belangrijk begrip in het HRM-beleid van de dienstenorganisatie is teamvorming. Juist in het kader van de vorming van multidisciplinaire teams van predikanten - ook meer en meer met een eigen ‘specialisme' - en kerkelijk werkers in verschillende functies voor jeugdwerk, pastoraat, diaconaat, krijgen beide beroepsgroepen hun eigen volwaardige plaats.
De kerkelijk werker met bevoegdheid van Woord en Sacrament een kerkelijke noodzaak?
In dit verband vraagt één zaak om een nadere kerkelijke beleidsontwikkeling in de naaste toekomst om in te kunnen spelen op wat de kerkelijke praktijk vraagt.
De bemensing van de kleine gemeenten in ontvolkte of sterk geseculariseerde plattelandsgebieden en de zorg voor de dienst van Woord en Sacrament ter plaatse, is een groeiend en nijpend probleem. Het gaat om vaak kleine gemeenschappen rond een historische kerk, waarin de dienst van Woord en Sacrament voortgang vindt. Vaak werken in deze kleine gemeenten kerkelijk werkers, mogelijk met preekconsent (Generale regeling preekconsent, Artikel 6).
Iets vergelijkbaars geldt voor kerkelijk werkers die werkzaam zijn als geestelijk verzorger in een zorginstelling (Generale regeling preekconsent, Artikel 7).
Moet de kerk deze kerkelijk werker de bevoegdheid van de dienst van Woord en Sacrament verlenen in deze gemeenschap - gebonden aan en beperkt tot deze gemeenschap of deze instelling - en hem/haar daartoe te bevestigen in het ambt van ouderling met speciale opdracht? Ook kan gedacht worden aan de figuur van de vicaris. Deze vragen zijn al vaak gesteld en besproken. Kerkelijke beleidsontwikkeling in dezen is dringend geboden om kerkelijke nood te lenigen en onkerkordelijke ontwikkelingen effectief te kunnen tegengaan.
Bijlagen
Bijlage 1. De kerkorde van de Protestantse Kerk over kerkelijk werkers
1.1 Ambt, dienst en functie: kerkelijk werk als dienst in een ambtelijk gestructureerde kerk
1.2 De kerkelijk werker- geestelijk verzorger
1.3 Opleidingen voor kerkelijk werkers
1.4 Het register van kerkelijk werkers
1.5 Aanstelling als kerkelijk werker: rechtspositie op grond van regeling arbeidsvoorwaarden in de PKN
1.6 Werkbegeleiding en nascholing van kerkelijk werkers
1.7 Het preekconsent voor kerkelijk werkers
1.1 Ambt en dienst in de kerkorde.
De kerkorde PKN beschrijft in artikel V,1 hoe het ‘openbare ambt van Woord en Sacrament' dat zijn plaats heeft in gemeente en kerk uitwaaiert in de ambten van predikant, ouderling en diaken én in andere diensten. Deze ‘andere diensten' worden in artikel V,6 ‘bedieningen en functies' genoemd, ‘die in samenwerking met de ambtsdragers worden uitgeoefend tot vervulling van de roeping van kerk en gemeente.' In de met dit artikel verbonden ordinantie 3-12 en 13 worden deze andere diensten nader omschreven.
In ordinantie 3-12-1 wordt gezegd: ‘met het oog op de vervulling van de roeping van kerk en gemeente kunnen leden van de kerk naast de ambtsdragers in een dienst worden gesteld. Zij worden kerkelijk werker genoemd.'
In de daarop volgende artikelen worden de werkterreinen voor kerkelijk werkers opgesomd en de arbeidsrelatie tot een kerkelijke vergadering als werkgever (kerkenraad, classicale vergadering, synode) beschreven. De Generale Synode is uiteindelijk verantwoordelijk voor de opleidingseisen en de toelatingseisen tot het Register van kerkelijk werkers waarin allen die bevoegd zijn om als kerkelijk werker in de PKN werkzaam te zijn, worden opgenomen.
Kerkelijk werkers kunnen als belijdend lid van de PKN in een kerkdienst door een predikant ‘in de bediening worden gesteld'. Bij die gelegenheid leggen zij de belofte af dat zij:
- bereid zijn in het werk van hun bediening te betuigen van het heil in Christus Jezus en te blijven in de weg van het belijden van de kerk;
- bereid zijn ijverig en trouw hun arbeid te verrichten en
- bereid zijn zich te onderwerpen aan de regels die in de orde van de kerk gesteld zijn voor haar leven en werken.
1.2 De kerkelijk werker-geestelijk verzorger
In ordinantie 3-13 wordt geregeld dat een kerkelijk werker die voldoet aan speciale voor deze functie gestelde opleidingseisen ook als kerkelijk werker ‘met een bijzondere opdracht' aangesteld kan worden door een instelling als geestelijk verzorger.[6] In de Generale Regeling bij ordinantie 3-12-1 , artikel 8 wordt de gang van zaken beschreven voor het verlenen van een ‘bijzondere opdracht' door een kerkenraad van (een van) de gemeente(n) waarbinnen de instelling gelegen is (dan wel een classicale vergadering waartoe deze gemeente behoort) .Ook de kerkelijk werker-geestelijk verzorger wordt in een kerkdienst ‘in de bediening gesteld'.
1.3 De kerkelijk erkende HBO-opleidingen theologie voor kerkelijk werkers
In de ‘Generale Regeling bij ordinantie 3-12-1' zijn een aantal zaken dat in de ordinantie genoemd worden, nader geregeld. Zo worden regels gegeven voor de erkenning van HBO-opleidingen voor kerkelijk werkers. Voor de theologische opleidingsroute van kerkelijk werkers heeft de PKN de volgende HBO-instellingen erkend: Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, Theologische Academie van de Educatieve Faculteit Amsterdam, Christelijke Hogeschool Ede, NBI Hogeschool voor theologie en Christelijke Hogeschool Windesheim. De laatste twee opleidingen gaan per 1 september 2005 een fusie aan.
Indien daaraan op het werkveld behoefte zou bestaan, kan de Synode overgaan tot erkenning van opleidingen voor kerkelijk werkers op andere werkterreinen.
1.4 Het Register van kerkelijk werkers
Voordat een kerkelijk werker wordt ingeschreven in dit register wordt een onderzoek gedaan naar:
- de ontvangen opleiding
- de motivatie en de geschiktheid om als kerkelijk werker werkzaam te zijn;
- de vertrouwdheid met het leven en het belijden van de kerk
Aan dit laatste punt wordt speciale aandacht gegeven in de curricula van de kerkelijk erkende theologische opleidingen.
Voorafgaand of volgend op inschrijving nemen kerkelijk werkers deel aan informatieweekends met thema's als de positie van de kerkelijk werker, de kerk als werkgever en de pluriformiteit in de PKN.
1.5 De aanstelling als kerkelijk werker
Een kerkelijk werker wordt door een kerkelijke vergadering (kerkenraad, classicale vergadering, synode) als ‘kerkelijk medewerker' aangesteld op grond van ordinantie 3-28 en de uitwerking daarvan in de Generale regeling rechtspositie medewerkers . De PKN arbeidsvoorwaardenregeling is op aanstellingen van kerkelijk werkers van toepassing.
Er bestaan geen uniforme functieomschrijvingen voor kerkelijk werkers werkzaam in plaatselijke gemeenten omdat de aard van het werk plaatselijk te zeer kan verschillen.
Voor gemeenten is een handleiding beschikbaar om te komen tot een passende functieomschrijving.
Daarnaast worden er modellen voor een arbeidsovereenkomst - aanstellingsbrief geheten - en een toelichting bij deze aanstellingsbrief aangeboden.
1.6 Werkbegeleiding en nascholing van kerkelijk werkers
Een beginnend kerkelijk werker die bij de aanvaarding van zijn/haar functie in de bediening gesteld is, ontvangt vanuit het Protestants Landelijk Dienstencentrum te Utrecht werkbegeleiding waarvoor de afdeling Werkbegeleiding van predikanten en kerkelijk werkers de verantwoordelijkheid draagt.
De vorm van de werkbegeleiding is afhankelijk van het werkterrein van de kerkelijk werker.
1.7 Het preekconsent voor kerkelijk werkers en kerkelijk werkers-geestelijk verzorgers
Afhankelijk van de situatie waarin een plaatselijke gemeente bij een predikantsvacature verkeert, kan voor een kerkelijk werker bij de classis een preekconsent aangevraagd worden. Het preekconsent wordt voor en beperkte periode en een bepaald ressort verleend door de Kleine Synode op advies van de classis en nadat de kerkelijk werker door een commissie gehoord is.
Voor een kerkelijk werker-geestelijk verzorger kan een preekconsent aangevraagd worden door de gemeente die hem of haar ‘in de bediening' gesteld heeft.
In het kader van nascholing voor kerkelijk werkers worden door het IOB Hydepark speciale cursussen voor preekconsent-houders gegeven.
Bijlage 2. Het beroep kerkelijk werker in de protestantse kerken - de geschiedenis
Als we een kerkelijk werker in algemene zin omschrijven als ‘een beroepskracht in de kerk' dan gaat het niet om een nieuw fenomeen in de PKN, maar om een figuur die al eeuwen in de kerken van de reformatie een plaats gehad heeft - zij het onder verschillende benamingen.
Vanaf de 16e tot de 20e eeuw zorgden kosters, schoolmeesters, catechiseermeesters en godsdienstonderwijzers voor catechese aan jonge kinderen in samenhang met de eerste vaardigheden in lezen en schrijven. Ziekentroosters, godsdienstonderwijzers en oefenaars waren - meestal zonder officiële kerkelijke aanstelling - actief in de pastorale begeleiding en prediking op plaatsen en onder groepen die door predikanten in de toenmalige samenleving niet bereikt konden worden.
In alle tijden bleek er - naast de predikant als beroepskracht én ambtsdrager- behoefte te bestaan aan mensen die zich - op grond van gaven en geschiktheid en soms een minimale opleiding - geroepen voelden om hun medegelovigen te ondersteunen, te begeleiden of te onderwijzen.
In de 20e eeuw toen het algemene opleidingsniveau van de bevolking steeds hoger werd en elk beroep verbonden werd met een eigen opleidingsroute, voelden ook de kerken de noodzaak om de werkzaamheden van kerkleden te koppelen aan een cursus of opleiding die een officiële bevoegdheid en aanstelling mogelijk maakte.
In de Nederlandse Hervormde Kerk koos men in de nieuwe kerkorde van 1951 voor het model van een ‘aanstelling in de bediening' waarmee kerkleden - op grond van een beroepsopleiding - op heel diverse werkvelden aangesteld konden worden om namens de kerk en in samenwerking met de ambten op deskundige wijze taken te verrichten in kerk en samenleving.
Deze ‘bedieningen' zouden het de gemeente en haar ambtsdragers mogelijk moeten maken om de apostolaire opdracht van de kerk in de wereld op verantwoorde wijze vorm te geven.
In de jaren vijftig en zestig, toen kerk en gemeenten nog aanzienlijke activiteiten op algemeen maatschappelijk terrein ontplooiden, functioneerde dit model naar twee kanten: enerzijds werd de kwaliteit van de kerkelijke activiteiten aanzienlijk verhoogd: de kerkelijke beroepskracht deed zijn intrede anderzijds werd het zelfbewustzijn van het deskundig opgeleide gemeentelid verhoogd naast - en soms tegenover - de ambten. Het ambt werd sindsdien een onderwerp van discussie in de hervormde kerk.
In de Gereformeerde Kerken in Nederland vond in de jaren zestig een diepgaande bezinning plaats op structuur en functioneren van de plaatselijke kerk. Het KIP-rapport (Kerk In Perspectief) propageerde een functioneel gemeentemodel waarin een veelvoud van taken onderscheiden werd en waarin gemeenteleden als taakvervullers hun gaven dienstbaar konden maken. Voor een groeiend aantal taken bleek een opleiding onontbeerlijk: allereerst en vanouds voor het predikantswerk, maar daarnaast ook voor pastoraat, vormingswerk, jeugdwerk en gemeenteopbouw. Pastoraal- assistenten en agogische werkers kregen aan het begin van de jaren tachtig een officiële status in de gereformeerde kerken met als gevolgd dat in de daaropvolgende jaren opleidingsroutes werden vastgesteld. Ook hier ontstond de discussie over de relatie tot het ambt, maar dan vanuit het gezichtspunt van een taakverdeling: welke taken waren ambtelijk - welke niet.
In de Evangelisch Lutherse Kerk in de Nederlanden bleef de beroepskracht naast het ambt een beperkt verschijnsel mede op grond van de omvang van het kerkgenootschap. Het ene ambt van de gemeente kreeg vooral vorm in het ambt van predikant, die op allerlei terreinen actief kon zijn - ook op maatschappelijk terrein, daarin zonodig bijgestaan door jeugdwerkers of maatschappelijk werkers. Pas bij het kleiner worden van gemeenten ontstond de behoefte aan - goedkopere - pastoraal werkenden. Een eigen opleiding - de Lutherse Leken Opleiding - zou mede in deze behoefte moeten voorzien. Aan het begin van de jaren negentig werd besloten dat een voortgaan op deze weg - die zouden leiden tot de bemensing van gemeenten door ‘leken' - moest worden gestopt ten gunste van de aanstelling van universitair opgeleide predikanten waardoor het ambt in de gemeente en de kwaliteit van het ambtswerk gegarandeerd zou blijven. De discussie over het ambt kwam daarmee in het teken te staan van de bemensing van (zeer) kleine gemeenten.
De Protestantse Kerk in Nederland is op 1 mei 2004 de erfgenaam geworden van deze bonte geschiedenis rond kerkelijk werk met zijn discussies over ambten, taken en bemensing.
In de kerkorde van de PKN worden alle werkzaamheden van vrijwilligers, ambtsdragers, kerkelijk werkers en functionarissen samengevat onder het ene woordje ‘dienst'.
In de kerkorde wordt deze dienst uitgewerkt in taken voor ambtsdragers en een omschrijving van werkvelden voor kerkelijk werkers.
De oude discussie over ambten en taken, gaven of deskundigheid, vrijwilligers of beroepskrachten zal ook in de PKN niet verstommen. Maar steeds vaker zal hij gevoerd worden vanuit de problematiek van kleiner wordende gemeenten en de oplossingen die daarvoor noodzakelijk zijn.
[1] De Generale Synode van de Protestantse Kerk in Nederland besprak op 8 april 2005 het beroepsprofiel kerkelijk werker en stelde de tekst hiervan vast.
[2] Zie bijlage 1, De kerkorde van de Protestantse Kerk over kerkelijk werkers
[3] Voor de theologische opleidingsroute van kerkelijk werkers heeft de Protestantse Kerk de volgende HBO-instellingen erkend: Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, Theologische Academie van de Educatieve Faculteit Amsterdam, Christelijke Hogeschool Ede, NBI Hogeschool voor theologie en Christelijke Hogeschool Windesheim. De laatste twee opleidingen gaan per 1 september 2005 een fusie aan. Indien daaraan op het werkveld behoefte zou bestaan, kan de Synode overgaan tot erkenning van opleidingen voor kerkelijk werkers op andere werkterreinen
[4] Wij volgen hier het spraakgebruik van de kerkorde PKN waarin bewust gekozen is voor het begrip ‘geestelijke vorming' als overkoepelende term voor zowel de catechese als het vormings- en toerustingswerk en het jeugdwerk (vergelijkbaar met het Duitse begrip ‘Bildung').
[5] Tenzij de kerk in specifieke situaties tot ander beleid besluit: zie onder.
[6] Zie voor het beroepsprofiel van geestelijk verzorgers, waaraan ook de kerkelijk werkers-geestelijk verzorgers voldoen, de ‘Beroepsstandaard voor de geestelijk verzorgers in Zorginstellingen' van de VGVZ. In deze beroepsstandaard is ook een beroepscode opgenomen.